Bunnik

Bunnik is ontstaan als een buurtschap op een oeverwal langs de Rijn. Het wordt voor het eerste genoemd in het jaar 914 samen met andere buurschappen, zoals Vechten, Loerik, Houten en Odijk. Bunnik heeft net als andere dorpjes in de regio een agrarische achtergrond. De ligging aan de Rijn zorgde voor goede transportmogelijkheden naar Utrecht. Bunnik bestond langere tijd uit een paar wegen die er samenkwamen.

De gemeente Bunnik koppelt haar geschiedenis graag aan het ooit zo belangrijke Romeinse Fectio. Voor de gemeente is dit terecht, maar voor de geschiedenis van het dorp Bunnik is dit minder relevant. Gedurende de Romeinse tijd liep de Rijn langs Zeist en deed het de huidige plek van de kern Bunnik niet aan. In de 2e of 3e eeuw verlegde de Rijn zich naar het zuiden en nadat de plunderende Vikingen aan het eind van de 9e eeuw definitief waren verdwenen, kon het dorp Bunnik zich ontwikkelen. Het gebied viel rond het jaar 800 onder het Gouw Dorestad en later na de val van Dorestad onder het Gouw Opgooi.

In de 13e eeuw werd er een dorpskerkje gebouwd. De Romaanse toren van dit witte kerkje is nog zichtbaar. Later in 1634 zijn er rond het kerkje witte huisjes gebouwd. Deze verschenen tegelijkertijd met de aanleg van het jaagpad langs de Kromme Rijn en de brug over de rivier.


Landhuizen
Ten westen van Bunnik staat langs de Kromme Rijn een aantal oudere huizen. Hofstede De Beesde (eerste vermelding 1395) staat prachtig langs de Kromme Rijn. Vermoedelijk is De Beesde als een woontoren gebouwd en stond deze in eerste instantie in de Kromme Rijn. In de 18e en 19e eeuw werd de rest van het huidige huis gebouwd door de familie Cammingha.  

Verder naar het westen staat het bekende landhuis Rhijnauwen met koetshuis. Het huidige aanzien dateert uit de 18e eeuw, maar de eerste vermeldingen komen al uit 1304. Muren van het oude gebouw zijn nog steeds zichtbaar. Ook hier wordt vermoed dat het een soort donjon is geweest met een gracht.

Iets westelijker ligt het landhuis Oud-Amelisweerd, dat stamt uit 1770. Tussen 1808 en 1810 was het in bezit van Lodewijk Napoleon Bonaparte. Die was van plan er een Koninklijke residentie van te maken, maar verbleef er uiteindelijk slechts acht dagen.